Hofman I & II

Hofman is een personage dat al een tijdlang in mijn hoofd huist. Eerst, naamloos nog, als onderdeel van een nooit afgerond gedicht. Daarna tijden in mijn digitale geheugen, als “materiaal”. Wie wat bewaart, die heeft wat: om zich voor te schamen, of om zich, als in een soort tweetrapsraket, door te laten inspireren.
Er kwam weer schot in de zaak toen ik bedacht dat ik met dit materiaal misschien wel iets in zine-vorm zou kunnen. En helemaal toen ik vervolgens – o, verlicht moment! – bedacht een co-productie met Zine-koning Sebastiaan Andeweg een goed idee zou zijn.

Midwinter

Midwinter

Dat je soep kon maken zonder iets te bevroeden.

Dat je haar kon invriezen terwijl jouw halfrond naar de zon toe leunde.
Dat je haar weer tot leven kon wekken toen alles zich had omgekeerd.

Dat je je kon verbazen
dat je nog kon eten.

Dat je troost kon putten uit een gedachte
dat de soep die ze at door jou gemaakt was.

Dat zij nog kon eten.

Dat de zon nu toch weer naar jou toe heeft geleund. En omgekeerd.
Dat de dingen die je hebt ingevroren soms opeens ontdooien.

Dat je desondanks soep kunt blijven maken.
Dat je nu hooguit bevroedt

dat je nog steeds niets bevroedt.

Meer Licht

Onderstaand gedicht schreef ik naar aanleiding van de tentoonstelling Meer Licht in Museum de Fundatie in Zwolle. Ik won er de bijbehorende dichtwedstrijd mee. Dichtwedstrijden winnen is fijn.

Wie voor 8 januari nog kans ziet om De Fundatie te bezoeken moet die kans zeker grijpen. Vooral met de bevlogen toelichting van samensteller Hans den Hartog Jager is Meer Licht een zeer inspirerende expositie.

(Dat lieve kleine meisje op deze foto is onze vierjarige dochter, die het presteerde om bijna twee uur stil te zitten luisteren. Subliem. De enorme foto waar ik naast sta is van Hiroshima, vlak na de atoombom. Raar.)

Verder lezen

De wijndrinkers

Onderstaand gedicht schreef ik op uitnodiging van Op Ruwe Planken voor de site van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad. Het is geïnspireerd door het werk van Ingrid Oostendorp, waar ik elke keer als ik er mee geconfronteerd word weer erg van onder de indruk ben (een bezoek aan haar atelier laat een verbluffender indruk achter dan een bezoek aan haar website). Tijdens het schrijven van het gedicht heb ik veel geluisterd naar de cd Alopecia van Why?. Samen vormt dat een gevaarlijk mengsel.

Verder lezen

Boontje

Onderstaand verhaal las ik voor als één van de UITvreters op het UITFestival en het Wintertuinfestival. De opdracht was om een verhaal of gedicht te schrijven dat eindigde met de laatste zin van de beroemde Uitvreter van Nescio: Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

Andere oplossingen voor deze literaire uitdaging vindt u onder andere hier en hier.

Hier vlakbij staat een prachtig Uitkijkkonijn het noorden in de gaten te houden. Hij waakt over Lent, weet wat er speelt in Elst, haalt zijn fraaie konijnenneus op voor Arnhem en kijkt nog veel verder – veel verder dan die neus lang is. Op een heldere dag kan hij zelfs Dokkum zien liggen.
Het Uitkijkkonijn is gemaakt van hout. Er gaan geruchten dat dit hout komt van de Donareik. Deze heilige eik werd zo’n 1300 jaar geleden geveld door een missionaris. Die wilde zonodig bewijzen dat het Christendom superieur was aan al die Germaanse afgoderij. Over deze man, die volgens mij ook perfect zou passen in de context van onze tijdgeest, gaat dit verhaal.

Verder lezen

LUX Live: Voor jou tien anderen

Onderstaande “Tapas van korte verhalen” schreef ik tijdens LUX Live 7, een debat over mensen die vastlopen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Elf

I
“Als je een miljoen in de loterij wint, heb je dat dan verdiend?”
“Nee, natuurlijk niet. Dan heb je gewoon mazzel.”
“En als je ergens heel erg je best op doet – en het lukt. En omdat het gelukt is, willen een heleboel mensen je opeens geld geven. Heb je dat dan verdiend?”
“Ja, dan heb je succes. Als in: succes is een keuze.”
“En als je geboren wordt en je blijkt heel goed te zijn in ergens heel erg je best op doen, en dat laten lukken en dan geld krijgen. Heb je dat dan verdiend?”
“Dan… heb je talent.”
“Talent?”
“Ja, talent. Dat is dat je de mazzel hebt, dat voor jou succes een keuze is.”
Verder lezen

Zelfspot

I
Gisteren ben ik naar een theatervoorstelling van Micha Wertheim geweest. Micha Wertheim voor de zoveelste keer.Zo heette de voorstelling – ik had Wertheim nog nooit eerder in een theater gezien (hij schijnt er wel vaker te komen).

Over de voorstelling kan ik kort zijn: die was subliem. Wertheim goochelt met je brein. Ik kan iedereen zonder voorbehoud aanraden om te gaan. En als je kan twee keer. (Ik kan iedereen zonder voorbehoud aanraden om te gaan.)
Verder lezen

Lonked

Onderstaand verhaal schreef ik tijdens de Waai-week. Het plot en de schokkende rekenfout die erin staat, zijn mooie illustraties van wat Waai met je doet: het achtervolgt je tot in de supermarkt en het bevrijdt je van je angst om fouten te maken. Daarover later vast meer. De rekenfout heb ik er (inmiddels bewust) ingehouden. Het verhaal zelf is overigens een ode aan het weblog van Elske van Lonkhuyzen: wodkanademosterd.com.

Verder lezen

LUX Live: Occupy en speling

Het onderstaande gedicht maakte ik als “Dichter van dienst” (jaja) tijdens LUX Live 5, een debat over en met Occupy.
Speling

Ik was de auto, omdat ik altijd de auto was. Eva was de bank, zoals altijd zat
de kat bij haar op schoot te spinnen. Voor mijn part had jij de hoge hoed
mogen zijn, het strijkijzer,

of gewoon weer die afgetrapte schoen.

Maar je was opeens een tent. En je begon te zeuren over de spelregels.
Ik zei dat zeuren over de spelregels niet in de spelregels stond,
maar dat ik er best over wilde praten.

Eva haalde glazen en flessen water, veel water. Ze zette hippe jazzmuziek op.
Voor de schwung, zei ze, want die hebben we wel nodig.

Ik zei: kijk. Dat hotel op de Kalverstraat

heb ik met mijn eigen handen gebouwd. Ik bedoel: ik gooide zes.
Mijn handen. Eén dobbelsteen. Zes.

Terwijl jij in de gevangenis zat gooide ik zes.

Je zei dat dat niet meer was dan een speling van het lot.

Ik zei: die speling heb je nodig, maar
daarna is het zaak in beweging te komen.
Mijn beweging is een auto.

Je zei dat jouw beweging een tent was. Dat er behoefte was
aan een beweging. Een beweging die voor speling zou zorgen.
Een opening naar iets nieuws.

Ik zei: als je een nieuw perspectief zoekt moet je toch tenminste
een standpunt innemen. Jij zit daar maar in jouw tent,
beweging te zijn.

Je zei dat mijn beweging niet meer was dan maar wat
rondcirkelen: langs start gaan en weer 20.000 opstrijken.

Zo draaiden we uren om elkaar heen, praatten soms uit onze mond,
soms uit onze kont. Je sprak jezelf tegen en zag zelfs daarin weer een
bewijs van het één of ander.

We belden met Amerika, wisselden van gezicht, gaven microfoons door,
warmtelampen, maakten gebaren. Jij vond systemen uit,
die ik sympathiek noemde.

Tot het moment dat je de jazz uitzette, je gitaar pakte en

dat ene gedicht begon voor te lezen. Over hoe verzet begint met
een vraag die je eerst aan jezelf stelt en dan aan een ander.

Ik zei nog dat dat niet eerlijk was,
dat poëzie niet in de spelregels staat.

Toen kreeg opeens de kat

de kolder in zijn kop, sprong hij op het deksel met de bankbiljetten,
viel Eva tegen me aan, bleek dat ze in stilte de hele fles met

appellikeur had leeggezopen, begon ze alle straten op
hypotheek te draaien, kotste ze over mijn mooie pak,

riep ik: doe iets! Maar jij had ook niets meer
dan tentdoek.

Terwijl Eva de bankbiljetten vol nullen kalkte en jij de ogen van de
dobbelstenen vijlde, begon ik wanhopig kanskaarten te draaien.

Sommige stonden vol grote woorden,
andere juist weer vol kleine lettertjes.

Ze zeiden allemaal: “vergissing van de bank”, “vergissing van de bank”.
Ik gooide de kaarten één voor één weg. Voelde me even Bob Dylan.

Toen kwam die man binnen met die gitaar en
glimlachten we voor het eerst weer naar elkaar.

Je zei: we hebben nog een hele stapel Algemeen Fonds
en in de koelkast gratis bier.

Hop

Op 16 januari van dit jaar begon ik met Kunstkauwen, een blog waarmee ik wilde reageren op kunstuitingen van anderen. Ik vond dat kunst niet alleen zenden, maar ook ontvangen moest zijn. En dat het, met name op het web, soms leek alsof het toch vooral om dat eerste ging.

Ik wilde graag laten zien dat er ook ontvangen werd.

Of eigenlijk wilde ik reflecteren: zenden over ontvangst. Een handshake met de zender.

Vooruit: eigenlijk wilde ik natuurlijk ook gewoon zendertje spelen. En bij voorkeur dan ook nog ontvangen worden.

Op 3 februari, nog geen 3 weken nadat ik met mijn blog begonnen was, sprak ik in de Etalage Derde Walstraat met Willem Claassen. Hij vertelde mij over de Literaturjugend, de schrijverswerkplaats van De Wintertuin. Ik zei dat ik ook wel eens wat schrijfsels produceerde (meer durfde ik het toen niet te noemen) en hij nodigde mij uit om een keer te komen kijken.

Dat bleek de doodsteek voor mijn nobele blog.

Het is nu driekwart jaar later (negen maanden – hoe symbolisch). Inmiddels heb ik al een aantal keer voorgedragen bij de Literaturjugend, heb ik samen met de Uitvreters opgetreden op het UITfestival en stond ik zelfs op Onbederf’lijk Vers. Vorige week voelde ik mij tijdens de Waai-week even een echte kunstenaar. Op 11 november treed ik op bij Woordzolder in Zwolle en op 26 november mag ik nog eens de Uitvreter uithangen, nu op het Wintertuinfestival.

En mijn schrijfsels noem ik tegenwoordig ijskoud poëzie.

Hoog tijd voor een nieuw blog, dus. Eentje waarbij ik gewoon toegeef dat ik vind dat ik iets te melden heb. Soms zal dat nog steeds gaan over anderen, want ik ben de afgelopen negen maanden heel wat mensen tegengekomen waar ik met veel enthousiasme over kan vertellen. Maar vaak zal dat ook gewoon poëzie zijn.

Van mij, Johan Roos, dichter.