Boontje

Onderstaand verhaal las ik voor als één van de UITvreters op het UITFestival en het Wintertuinfestival. De opdracht was om een verhaal of gedicht te schrijven dat eindigde met de laatste zin van de beroemde Uitvreter van Nescio: Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

Andere oplossingen voor deze literaire uitdaging vindt u onder andere hier en hier.

Hier vlakbij staat een prachtig Uitkijkkonijn het noorden in de gaten te houden. Hij waakt over Lent, weet wat er speelt in Elst, haalt zijn fraaie konijnenneus op voor Arnhem en kijkt nog veel verder – veel verder dan die neus lang is. Op een heldere dag kan hij zelfs Dokkum zien liggen.
Het Uitkijkkonijn is gemaakt van hout. Er gaan geruchten dat dit hout komt van de Donareik. Deze heilige eik werd zo’n 1300 jaar geleden geveld door een missionaris. Die wilde zonodig bewijzen dat het Christendom superieur was aan al die Germaanse afgoderij. Over deze man, die volgens mij ook perfect zou passen in de context van onze tijdgeest, gaat dit verhaal.

Lees verder

LUX Live: Voor jou tien anderen

Onderstaande “Tapas van korte verhalen” schreef ik tijdens LUX Live 7, een debat over mensen die vastlopen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Elf

I
“Als je een miljoen in de loterij wint, heb je dat dan verdiend?”
“Nee, natuurlijk niet. Dan heb je gewoon mazzel.”
“En als je ergens heel erg je best op doet – en het lukt. En omdat het gelukt is, willen een heleboel mensen je opeens geld geven. Heb je dat dan verdiend?”
“Ja, dan heb je succes. Als in: succes is een keuze.”
“En als je geboren wordt en je blijkt heel goed te zijn in ergens heel erg je best op doen, en dat laten lukken en dan geld krijgen. Heb je dat dan verdiend?”
“Dan… heb je talent.”
“Talent?”
“Ja, talent. Dat is dat je de mazzel hebt, dat voor jou succes een keuze is.”
Lees verder

Zelfspot

I
Gisteren ben ik naar een theatervoorstelling van Micha Wertheim geweest. Micha Wertheim voor de zoveelste keer.Zo heette de voorstelling – ik had Wertheim nog nooit eerder in een theater gezien (hij schijnt er wel vaker te komen).

Over de voorstelling kan ik kort zijn: die was subliem. Wertheim goochelt met je brein. Ik kan iedereen zonder voorbehoud aanraden om te gaan. En als je kan twee keer. (Ik kan iedereen zonder voorbehoud aanraden om te gaan.)
Lees verder

Lonked

Onderstaand verhaal schreef ik tijdens de Waai-week. Het plot en de schokkende rekenfout die erin staat, zijn mooie illustraties van wat Waai met je doet: het achtervolgt je tot in de supermarkt en het bevrijdt je van je angst om fouten te maken. Daarover later vast meer. De rekenfout heb ik er (inmiddels bewust) ingehouden. Het verhaal zelf is overigens een ode aan het weblog van Elske van Lonkhuyzen: wodkanademosterd.com.

Lees verder

LUX Live: Occupy en speling

Het onderstaande gedicht maakte ik als “Dichter van dienst” (jaja) tijdens LUX Live 5, een debat over en met Occupy.
Speling

Ik was de auto, omdat ik altijd de auto was. Eva was de bank, zoals altijd zat
de kat bij haar op schoot te spinnen. Voor mijn part had jij de hoge hoed
mogen zijn, het strijkijzer,

of gewoon weer die afgetrapte schoen.

Maar je was opeens een tent. En je begon te zeuren over de spelregels.
Ik zei dat zeuren over de spelregels niet in de spelregels stond,
maar dat ik er best over wilde praten.

Eva haalde glazen en flessen water, veel water. Ze zette hippe jazzmuziek op.
Voor de schwung, zei ze, want die hebben we wel nodig.

Ik zei: kijk. Dat hotel op de Kalverstraat

heb ik met mijn eigen handen gebouwd. Ik bedoel: ik gooide zes.
Mijn handen. Eén dobbelsteen. Zes.

Terwijl jij in de gevangenis zat gooide ik zes.

Je zei dat dat niet meer was dan een speling van het lot.

Ik zei: die speling heb je nodig, maar
daarna is het zaak in beweging te komen.
Mijn beweging is een auto.

Je zei dat jouw beweging een tent was. Dat er behoefte was
aan een beweging. Een beweging die voor speling zou zorgen.
Een opening naar iets nieuws.

Ik zei: als je een nieuw perspectief zoekt moet je toch tenminste
een standpunt innemen. Jij zit daar maar in jouw tent,
beweging te zijn.

Je zei dat mijn beweging niet meer was dan maar wat
rondcirkelen: langs start gaan en weer 20.000 opstrijken.

Zo draaiden we uren om elkaar heen, praatten soms uit onze mond,
soms uit onze kont. Je sprak jezelf tegen en zag zelfs daarin weer een
bewijs van het één of ander.

We belden met Amerika, wisselden van gezicht, gaven microfoons door,
warmtelampen, maakten gebaren. Jij vond systemen uit,
die ik sympathiek noemde.

Tot het moment dat je de jazz uitzette, je gitaar pakte en

dat ene gedicht begon voor te lezen. Over hoe verzet begint met
een vraag die je eerst aan jezelf stelt en dan aan een ander.

Ik zei nog dat dat niet eerlijk was,
dat poëzie niet in de spelregels staat.

Toen kreeg opeens de kat

de kolder in zijn kop, sprong hij op het deksel met de bankbiljetten,
viel Eva tegen me aan, bleek dat ze in stilte de hele fles met

appellikeur had leeggezopen, begon ze alle straten op
hypotheek te draaien, kotste ze over mijn mooie pak,

riep ik: doe iets! Maar jij had ook niets meer
dan tentdoek.

Terwijl Eva de bankbiljetten vol nullen kalkte en jij de ogen van de
dobbelstenen vijlde, begon ik wanhopig kanskaarten te draaien.

Sommige stonden vol grote woorden,
andere juist weer vol kleine lettertjes.

Ze zeiden allemaal: “vergissing van de bank”, “vergissing van de bank”.
Ik gooide de kaarten één voor één weg. Voelde me even Bob Dylan.

Toen kwam die man binnen met die gitaar en
glimlachten we voor het eerst weer naar elkaar.

Je zei: we hebben nog een hele stapel Algemeen Fonds
en in de koelkast gratis bier.

Hop

Op 16 januari van dit jaar begon ik met Kunstkauwen, een blog waarmee ik wilde reageren op kunstuitingen van anderen. Ik vond dat kunst niet alleen zenden, maar ook ontvangen moest zijn. En dat het, met name op het web, soms leek alsof het toch vooral om dat eerste ging.

Ik wilde graag laten zien dat er ook ontvangen werd.

Of eigenlijk wilde ik reflecteren: zenden over ontvangst. Een handshake met de zender.

Vooruit: eigenlijk wilde ik natuurlijk ook gewoon zendertje spelen. En bij voorkeur dan ook nog ontvangen worden.

Op 3 februari, nog geen 3 weken nadat ik met mijn blog begonnen was, sprak ik in de Etalage Derde Walstraat met Willem Claassen. Hij vertelde mij over de Literaturjugend, de schrijverswerkplaats van De Wintertuin. Ik zei dat ik ook wel eens wat schrijfsels produceerde (meer durfde ik het toen niet te noemen) en hij nodigde mij uit om een keer te komen kijken.

Dat bleek de doodsteek voor mijn nobele blog.

Het is nu driekwart jaar later (negen maanden – hoe symbolisch). Inmiddels heb ik al een aantal keer voorgedragen bij de Literaturjugend, heb ik samen met de Uitvreters opgetreden op het UITfestival en stond ik zelfs op Onbederf’lijk Vers. Vorige week voelde ik mij tijdens de Waai-week even een echte kunstenaar. Op 11 november treed ik op bij Woordzolder in Zwolle en op 26 november mag ik nog eens de Uitvreter uithangen, nu op het Wintertuinfestival.

En mijn schrijfsels noem ik tegenwoordig ijskoud poëzie.

Hoog tijd voor een nieuw blog, dus. Eentje waarbij ik gewoon toegeef dat ik vind dat ik iets te melden heb. Soms zal dat nog steeds gaan over anderen, want ik ben de afgelopen negen maanden heel wat mensen tegengekomen waar ik met veel enthousiasme over kan vertellen. Maar vaak zal dat ook gewoon poëzie zijn.

Van mij, Johan Roos, dichter.

Toe

Waarom moet een gedicht altijd eindigen
met het laatste woord?

Zo’n ding dat protserig een gepaste
stilte staat te claimen. Dat zegt: je moet

stoppen op je hoogtepunt en ik
ik ben zo’n hoogtepunt.

Waarom nog niet even wat nakabbelen?
Een aantal jaren vegeteren in een

verzorgingshuis, aftakelen totdat je
iedereen en alles vergeten bent.

En vice versa.

Dan een uitvaart waarop een stadsdichter
een gedicht voordraagt met een

open einde, hij verruilt het kerkhof voor een
café, waar zijn gedichten net zo doodslaan

als het bier, een stamgast verlaat zijn kruk, denkt wat
zal ik eten vanavond, in de koelkast staat alleen nog

hopjesvla.