Pannerden

“…vanavond kruisen Nijmeegse en Arnhemse schrijvers de degens in een literaire battle die zijn weerga niet kent.” stond er in de aankondiging van de Battle Arnhem-Nijmegen op het programma van het Wintertuin festival. Iedereen die aanwezig was zal beamen dat dat geen marketing speak was. De vlammende teksten op het podium, zoals deze van Hanneke Hendrix, of deze van Willem Claassen, zetten de zaal in lichterlaaie. Hieronder mijn bijdrage.

Pannerden

I

Je hebt planners, je hebt mensen die wel beter weten
en je hebt van die lui met een neusje voor het juiste moment
zoals ik, toen ik in Groningen voor het eerst
mijn vriendin zag lopen.

Ik heb toen heel even mijn pas versneld

Daarna was het weer go with the flow.

Ik noem dat moment
mijn Pannerden.

II

Van het water dat bij Lobith ons land in stroomt,
slaat tweederde bij Pannerden linksaf.

Daarna is het weer go with the flow:
onder een nieuwe naam in een paar vrolijke bochten
op weg naar die mooie oude stad.

Eenderde heeft niet goed opgelet, ging nog drinkbussen halen
terwijl de ploegleiders al in de oortjes tetterden dat het nu echt
vooraan in het peloton te doen was.

Weet nu dat “Pannerdens kanaal” staat voor een ritje
in de bezemwagen, voor Waterloo, voor Arnhem.

III

Pannerden is een struggle for life.

Wordt het rechtsaf
naar die stad van megalomanie,
waar het Haags is doorgedrongen tot de volksmond
en waar de bruggen vernoemd zijn
naar wereldleiders en nobelprijswinnaars?

Of wordt het linksaf naar die andere stad
waar men weet dat ouderdom uiteindelijk
tot mildheid leidt
en waar de brug gewoon bescheiden
de naam draagt van de rivier?

Wordt het rechtsaf
waar de meisjes koekjes zijn?

Of linksaf
waar de vrouwen fokken met de duivel?

Pannerden is een struggle for life.
Pannerden is survival of the fittest.

En onder de Waalbrug
stroomt alleen nog
het sterkste water.

IV

Sommige dingen voel je aan je water.

Toen we ooit gingen verhuizen
konden we kiezen tussen
Arnhem en Nijmegen.

We zijn toen samen naar Pannerden gegaan
hebben elkaar aangekeken en geknikt.

Daarna was het weer go with the flow.

Midwinter

Midwinter

Dat je soep kon maken zonder iets te bevroeden.

Dat je haar kon invriezen terwijl jouw halfrond naar de zon toe leunde.
Dat je haar weer tot leven kon wekken toen alles zich had omgekeerd.

Dat je je kon verbazen
dat je nog kon eten.

Dat je troost kon putten uit een gedachte
dat de soep die ze at door jou gemaakt was.

Dat zij nog kon eten.

Dat de zon nu toch weer naar jou toe heeft geleund. En omgekeerd.
Dat de dingen die je hebt ingevroren soms opeens ontdooien.

Dat je desondanks soep kunt blijven maken.
Dat je nu hooguit bevroedt

dat je nog steeds niets bevroedt.

Meer Licht

Onderstaand gedicht schreef ik naar aanleiding van de tentoonstelling Meer Licht in Museum de Fundatie in Zwolle. Ik won er de bijbehorende dichtwedstrijd mee. Dichtwedstrijden winnen is fijn.

Wie voor 8 januari nog kans ziet om De Fundatie te bezoeken moet die kans zeker grijpen. Vooral met de bevlogen toelichting van samensteller Hans den Hartog Jager is Meer Licht een zeer inspirerende expositie.

(Dat lieve kleine meisje op deze foto is onze vierjarige dochter, die het presteerde om bijna twee uur stil te zitten luisteren. Subliem. De enorme foto waar ik naast sta is van Hiroshima, vlak na de atoombom. Raar.)

Lees verder

De wijndrinkers

Onderstaand gedicht schreef ik op uitnodiging van Op Ruwe Planken voor de site van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad. Het is geïnspireerd door het werk van Ingrid Oostendorp, waar ik elke keer als ik er mee geconfronteerd word weer erg van onder de indruk ben (een bezoek aan haar atelier laat een verbluffender indruk achter dan een bezoek aan haar website). Tijdens het schrijven van het gedicht heb ik veel geluisterd naar de cd Alopecia van Why?. Samen vormt dat een gevaarlijk mengsel.

Lees verder

LUX Live: Occupy en speling

Het onderstaande gedicht maakte ik als “Dichter van dienst” (jaja) tijdens LUX Live 5, een debat over en met Occupy.
Speling

Ik was de auto, omdat ik altijd de auto was. Eva was de bank, zoals altijd zat
de kat bij haar op schoot te spinnen. Voor mijn part had jij de hoge hoed
mogen zijn, het strijkijzer,

of gewoon weer die afgetrapte schoen.

Maar je was opeens een tent. En je begon te zeuren over de spelregels.
Ik zei dat zeuren over de spelregels niet in de spelregels stond,
maar dat ik er best over wilde praten.

Eva haalde glazen en flessen water, veel water. Ze zette hippe jazzmuziek op.
Voor de schwung, zei ze, want die hebben we wel nodig.

Ik zei: kijk. Dat hotel op de Kalverstraat

heb ik met mijn eigen handen gebouwd. Ik bedoel: ik gooide zes.
Mijn handen. Eén dobbelsteen. Zes.

Terwijl jij in de gevangenis zat gooide ik zes.

Je zei dat dat niet meer was dan een speling van het lot.

Ik zei: die speling heb je nodig, maar
daarna is het zaak in beweging te komen.
Mijn beweging is een auto.

Je zei dat jouw beweging een tent was. Dat er behoefte was
aan een beweging. Een beweging die voor speling zou zorgen.
Een opening naar iets nieuws.

Ik zei: als je een nieuw perspectief zoekt moet je toch tenminste
een standpunt innemen. Jij zit daar maar in jouw tent,
beweging te zijn.

Je zei dat mijn beweging niet meer was dan maar wat
rondcirkelen: langs start gaan en weer 20.000 opstrijken.

Zo draaiden we uren om elkaar heen, praatten soms uit onze mond,
soms uit onze kont. Je sprak jezelf tegen en zag zelfs daarin weer een
bewijs van het één of ander.

We belden met Amerika, wisselden van gezicht, gaven microfoons door,
warmtelampen, maakten gebaren. Jij vond systemen uit,
die ik sympathiek noemde.

Tot het moment dat je de jazz uitzette, je gitaar pakte en

dat ene gedicht begon voor te lezen. Over hoe verzet begint met
een vraag die je eerst aan jezelf stelt en dan aan een ander.

Ik zei nog dat dat niet eerlijk was,
dat poëzie niet in de spelregels staat.

Toen kreeg opeens de kat

de kolder in zijn kop, sprong hij op het deksel met de bankbiljetten,
viel Eva tegen me aan, bleek dat ze in stilte de hele fles met

appellikeur had leeggezopen, begon ze alle straten op
hypotheek te draaien, kotste ze over mijn mooie pak,

riep ik: doe iets! Maar jij had ook niets meer
dan tentdoek.

Terwijl Eva de bankbiljetten vol nullen kalkte en jij de ogen van de
dobbelstenen vijlde, begon ik wanhopig kanskaarten te draaien.

Sommige stonden vol grote woorden,
andere juist weer vol kleine lettertjes.

Ze zeiden allemaal: “vergissing van de bank”, “vergissing van de bank”.
Ik gooide de kaarten één voor één weg. Voelde me even Bob Dylan.

Toen kwam die man binnen met die gitaar en
glimlachten we voor het eerst weer naar elkaar.

Je zei: we hebben nog een hele stapel Algemeen Fonds
en in de koelkast gratis bier.

Toe

Waarom moet een gedicht altijd eindigen
met het laatste woord?

Zo’n ding dat protserig een gepaste
stilte staat te claimen. Dat zegt: je moet

stoppen op je hoogtepunt en ik
ik ben zo’n hoogtepunt.

Waarom nog niet even wat nakabbelen?
Een aantal jaren vegeteren in een

verzorgingshuis, aftakelen totdat je
iedereen en alles vergeten bent.

En vice versa.

Dan een uitvaart waarop een stadsdichter
een gedicht voordraagt met een

open einde, hij verruilt het kerkhof voor een
café, waar zijn gedichten net zo doodslaan

als het bier, een stamgast verlaat zijn kruk, denkt wat
zal ik eten vanavond, in de koelkast staat alleen nog

hopjesvla.